Gardnerella

359

Bij Isala vonden we 359 vrouwen bij wie deze bacteriën dominant waren in hun vagina. Dat is ongeveer 11% van alle Isala deelneemsters.

Gardnerella vaginalis

Hoe zien deze bacteriën eruit? 

Dit zijn coccobacillen. De vorm is iets tussen een bolletje en een staafje met een niet zo duidelijk afgelijnde celwand. Deze bacteriën zijn ongeveer 0,5 tot 1,5 micrometer groot. En dat is klein, want er passen 1000 micrometers in één millimeter.

microscoop

Wat weet de wetenschap hier al over? 

Elke dag een beetje meer! Aan de Universiteit Gent werd bijvoorbeeld in 2019 ontdekt dat er niet één Gardnerella soort is, maar dat er verschillende soorten bestaan zoals Gardnerella vaginalis, Gardnerella leopoldii en Gardnerella swidsinskii. De naam Gardnerella vaginalis verwijst duidelijk naar een vaginale bacterie. De naam Gardnerella leopoldii daarentegen verwijst naar Sidney Leopold, die voor het eerst bacteriën van deze soort beschreef. Op haar beurt verwijst Gardnerella swidsinskii naar Aexander Swidsinski, een Duitse microbioloog die uitgebreid onderzoek doet naar Gardnerella soorten en hun eigenschappen.

Gardnerella vaginalis, Gardnerella swidsinskii en Gardnerella leopoldii hebben gemiddeld een genoomgrootte tussen 1,5 en 1,7 miljoen basenparen en zo’n 1100 tot 1300 genen. Dat betekent dat ze ongeveer 1100 tot 1300 stofjes kunnen aanmaken.

Komt ze nog ergens anders voor?

Wat doen deze bacteriën in mijn vagina? 

In de eerste fase van ons grootschalig Isala onderzoek vonden we 359 vrouwen bij wie Gardnerella bacteriën dominant waren in hun vagina. Dat is ongeveer 11% van alle deelneemsters. Op basis van wat we toen wisten konden we nog geen onderscheid maken tussen de verschillende Gardnerella soorten. Gardnerella swidsinskii en Gardnerella leopoldii werden namelijk nog maar recent gevonden in 2019. Daarom is er nog niet veel geweten over hun specifieke eigenschappen. Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld wel dat Gardnerella swidsinskii regelmatig samen voorkomt met Gardnerella vaginalis in de vagina. De exacte rol van Gardnerella swidsinskii hierbij is nog niet gekend maar dat is iets dat ons onderzoeksteam graag verder bestudeert.

Over Gardnerella vaginalis weten we wel al iets meer. Gardnerella vaginalis kan melkzuur maken en daardoor de zuurtegraad in de vagina verlagen. Daarnaast weten we ook dat deze bacterie eiwitten kan afbreken in de vagina, waaronder ook voordelige eiwitten. Sommige types Gardnerella vaginalis ontwikkelen bovendien venijnige stekels. Het grootste risico is dat ze op die manier cellen van de vaginawand kunnen afbreken en de zuurtegraad in de vagina verstoren zodat je mogelijk wat vatbaarder bent voor infecties of ontstekingen. 

In het algemeen geldt dat je zeker niet hoeft te panikeren indien Gardnerella je dominante type is. De aanwezigheid van deze bacteriën brengt niet altijd minder gunstige effecten met zich mee. We weten bijvoorbeeld al dat ze verwant zijn aan bifidobacteriën die goede eigenschappen hebben (lees meer hier). Heel vaak vinden we Gardnerella bacteriën trouwens terug samen met verschillende soorten lactobacillen. Die lactobacillen kunnen helpen om Gardnerella mee in toom te houden. Verder vertellen we graag dat het vaginale microbioom iets dynamisch is. Het zou best kunnen dat de dominantie van Gardnerella intussen al verdwenen is.

Het belangrijkste advies dat we kunnen geven, blijft altijd hetzelfde: ervaar je klachten of maak je je ergens zorgen over? Neem dan contact op met je arts. Op onze website hebben we een afzonderlijke pagina met meer achtergrondinformatie speciaal voor artsen, dus daar kan je zeker naar verwijzen.

Waar komen ze nog voor?

Komen ze nog ergens anders voor?

Gardnerella vaginalis komt het vaakst voor in de vagina, maar deze bacterie wordt soms ook teruggevonden in stalen van bloed of urine, in de keelholte of longen en bij het onderzoeken van wonden of abcessen.

Gardnerella swidsinskii en Gardnerella leopoldii zijn relatief nieuwe soorten, dus de kennis over hun ‘leefgebieden’ is nog vrij beperkt. We weten dat ze voorkomen in de vagina. Verder is er nog maar weinig geweten over andere plaatsen waar ze goed zouden gedijen. Wie weet komen we deze bacteriën in de komende jaren wel nog ergens anders tegen.